De eerste keer

Een halfjaar geleden ben ik verhuisd van Deventer naar Twello. Een van de rotklussen die ik steeds maar uitgesteld heb, was het uitpakken van de dozen vol boeken. Na een paar maanden in opslag te hebben gestaan moesten ze weer de kast in en daar zag ik tegenop. Langer uitstellen kon niet meer, want ik zag steeds maar deze taak terugkomen op de klussenlijst die het thuisfront me bij elke gelegenheid onder de neus schoof. 

Tijdens het openen van de verhuisdozen vol Russische, Duitse en Franse klassiekers, pulpnovels en alle zeven delen van Het Bureau van J.J. Voskuil kwam de boekengeur me tegemoet. En daarmee ook een Proustiaanse ervaring: die van ‘mijn eerste keer’. Mijn eerste bibliotheekervaring wel te verstaan.
Het was in de bibliotheek van Schaesberg in Zuid-Limburg, waar ik als klein jongetje alle Arendsogen, Thea Beckmans en Musketiers leende. De bibliotheek zelf was een leeg, kaal gebouw, met een ‘leeshoek voor kranten’ en een centrale balie met daarachter twee ijverig stempelende bibliothecaressen. Die meestal een grote bril hadden én een snor. Het mag duidelijk zijn dat formulemanagement en retailprincipes nog niet in zwang waren. Ik zorgde er altijd voor om niet te veel lawaai te maken of er langer dan noodzakelijk te blijven. Na de uitlening sprintte ik met de boeken onder de arm naar huis om ze daar te lezen.

De bibliotheek in Schaesberg was dus geen onverdeeld genoegen. Het echt ongestoorde leesplezier kwam ergens anders vandaan. Mijn opa en oma in Scheulder, een nog zuidelijker dorp in Limburg met slechts driehonderd inwoners, waren mijn echte eerste bibliotheek. Mijn opa had net zoveel werkzaamheden als de gemiddelde bibliotheekmedewerker tegenwoordig. Hij was caféhouder van het Scheulderheuske. Een echte huiskamer van het dorp waar iedereen kwam om te ouwehoeren en te roddelen onder het genot van bier en jenever. Naast caféhouder was mijn opa koster van de kerk, dirigent van het koor, boswachter, en hij hield konijnen en kippen. Die konijnen hingen vaak aan de plafondbalken te drogen voordat ze in het zuur gezet werden. Heerlijk gerecht trouwens.
In het woongedeelte, naast de kroeg, stond een grote bedstede die dienst deed als boekenkast en waarin alle Eppo’s, Sjors en Sjimmies en andere (strip)boeken bewaard werden. Gerangschikt op jaartal en nummer. Mijn opa was eigenlijk een soort cafétharis. Tijdens de familiebezoeken, en na het eten van een paar stukken rijstevlaai, verdween ik in die bedstede. Deur open en lezen maar! Het was mijn eigen wereld en er was een ongelimiteerde hoeveelheid lectuur. Dat gevoel van ongestoord kunnen lezen is zó belangrijk.
Ik hoorde laatst iemand uit de bibliotheeksector zeggen: een jongere die niet van lezen houdt, heeft het juiste boek nog niet gevonden. Helemaal waar, maar ik zou daaraan willen toevoegen dat het net zo belangrijk is wáár je dat boek leest. Ik gun elke jongere zijn bedstede met boeken. Gelukkig zijn koude, saaie bibliotheken, zoals uit mijn jeugd, tegenwoordig op de vingers van één hand te tellen. Bibliothecaressen met een snor ook trouwens.


Georges Elissen, senior adviseur bij Rijnbrink 

Geef een reactie
Gerelateerde berichten