In Memoriam: Jan Ewout van der Putten

Jan-Ewout van der Putten in 2011. (Foto: Hans Bartels)

Op 30 september 2026 overleed Jan Ewout van der Putten, 78 jaar oud. Als secretaris-directeur van eerst de Vereniging NBLC en later de Vereniging van Openbare Bibliotheken was hij bijna elf jaar nauw betrokken bij de ontwikkeling van het Nederlandse openbare bibliotheekwerk. Samenwerking en inhoudelijke vernieuwing stonden daarbij voor hem voorop.

Tekst: Eimer Wieldraaijer

Toen Van der Putten in februari 1999 aantrad bij de Vereniging NBLC, bracht hij een ruime bestuurlijke ervaring mee. Hij was tien jaar plaatsvervangend griffier van de Eerste Kamer geweest en vervolgens zes jaar wethouder voor D66 in Den Haag. Hij kende de politieke besluitvorming van binnenuit: een waardevolle achtergrond voor een sector waarin gemeenten, provincies en rijksoverheid ieder hun eigen verantwoordelijkheden en belangen hadden.

Zijn directeurschap viel samen met een ingrijpende periode van bibliotheekvernieuwing. De vorming van basisbibliotheken, veranderende bestuurlijke verhoudingen en de ontwikkeling van digitale dienstverlening vroegen om richting en afstemming. Van der Putten behoorde tot de landelijke hoofdrolspelers in dat proces. Ook droeg hij bij aan een nieuwe structuur voor het blindenbibliotheekwerk en de verbinding daarvan met het reguliere openbare bibliotheekwerk. Toegankelijkheid kreeg zo een concrete organisatorische vertaling.

Zijn werkterrein reikte bovendien verder dan Nederland. Van 2003 tot 2007 was hij voorzitter van EBLIDA, de Europese organisatie die de belangen van bibliotheken en informatie-instellingen behartigt. Ook daar werkte hij aan de gezamenlijke positie van de sector.

Aan zijn periode bij de VOB kwam eind 2009 een einde, toen de landelijke organisatie werd opgesplitst in een branchevereniging, een sectorinstituut en een organisatie voor de digitale bibliotheek. Die ontvlechting was niet zijn keuze. In zijn afscheidsinterview met Bibliotheekblad liet hij daarover geen misverstand bestaan. Hij had de beschikbare energie liever besteed aan de uitvoering van de Agenda voor de Toekomst. Zijn zorg gold vooral het gevaar dat de nieuwe organisaties hun eigen profiel belangrijker zouden vinden dan hun gezamenlijke opdracht.

Maar in datzelfde gesprek bleef hij vooruitkijken. Hij sprak zijn vertrouwen uit in de vitaliteit van het bibliotheekwerk en in de mogelijkheden die een nieuwe situatie bood. Eén uitspraak vat zijn houding treffend samen: ‘Waar het vooral om gaat, zijn de mensen.’ Toen hem werd gevraagd met welk gevoel hij afscheid nam, dacht hij als eerste aan zijn medewerkers en hun toekomst.

Ook na zijn vertrek bleef hij zijn ervaring inzetten voor bibliotheken. Hij werkte onder meer als interim-manager bij de bibliotheek in Etten-Leur en gaf leiding aan de Stichting Aangepast Lezen, het latere Passend Lezen. Daarmee bleef hij betrokken bij de praktische opgave waarvoor hij zich ook landelijk had ingezet: bibliotheekvoorzieningen organiseren die mensen daadwerkelijk bereiken.

Wie zijn uitspraken terugleest, ziet een bestuurder die steeds terugkeerde naar de vraag wat samenwerking moest opleveren. Structuren moesten het werk mogelijk maken; mensen moesten het doen. Juist die nadruk op gezamenlijkheid maakt zijn woorden nog altijd herkenbaar en relevant voor de bibliotheeksector.

Met zijn overlijden neemt de bibliotheekwereld afscheid van een betrokken bestuurder uit een bepalende periode in haar geschiedenis. Zijn pleidooi om de krachten te bundelen en de inhoud voorop te zetten, blijft het herinneren waard.

Gerelateerde berichten