In gesprek met prinses Laurentien, erevoorzitter VOB

foto serge ligtenberg

Tekst: BNetwerk (KB) / Anne van den Dool

In oktober 2020 werd het Bibliotheekconvenant 2020-2023 van kracht. De daarin geformuleerde maatschappelijke uitdagingen en randvoorwaarden vinden hun concrete uitwerking in de Netwerkagenda. In twaalf programmateams komen experts uit het veld samen om binnen elk van deze thema’s stappen te zetten. Deze week is het slotwoord aan prinses Laurentien, erevoorzitter van de VOB, die zich dagelijks hard maakt voor een lezend en schrijvend Nederland: ‘Bibliotheek moet andere organisaties het podium op helpen’.

Schakel in het leeslandschap

Prinses Laurentien is een bekende in vrijwel elke schakel van het Nederlandse lees­landschap: in 2004 werd op haar initiatief Stichting Lezen en Schrijven opgericht, met als doel om laaggeletterdheid op de kaart te zetten en structureel aan te pakken. Ook is zij sinds 2006 erevoorzitter van de Vereniging van Openbare Bibliotheken (VOB) en bescherm­vrouwe van het Genootschap Onze Taal en de Vereniging Onbeperkt Lezen. In 2009 maakte ze haar entree als kinderboeken­auteur met de Mr Finney-serie, die ze met wijlen Sieb Posthuma maakte. Sinds 2010 steekt ze veel van haar tijd in Missing Chapter Foundation, waarmee ze zich richt op de inclusie van kinderen in belangrijke maatschappelijke discussies. In 2017 richtte ze bovendien met haar man prins Constantijn Number 5 Foundation op, waarmee ze versnipperde initiatieven omzetten in een gezamenlijke aanpak.

Vanuit al die verschillende rollen kan zij niet anders dan het aanpakken van de maatschappelijke opgaven die in de Netwerkagenda benoemd staan van harte toejuichen. ‘Het is fantastisch dat bibliotheken zich ook aan deze doelen committeren. Daarin is het wel goed om ons te realiseren dat het grote ambities zijn, die organisaties en zelfs generaties overstijgen. Ze gaan beyond our lifetime: we kunnen ze niet in één leven oplossen, en al helemaal niet in ons eentje. Het vraagt dus ook dat we beyond ourselves leren denken en handelen. Dat is een randvoorwaarde voor systemische oplossingen.’

Bij de implementatie van de Netwerkagenda gaat het wat haar betreft dan ook om de vraag: welke rol pakken bibliotheken bij het realiseren van deze opgaven? ‘Het veld kent honderden andere spelers die ook al een flinke tijd met deze vraagstukken bezig zijn. Beperkte middelen en capaciteit vergroten de vraag naar het slim organiseren met elkaar. In mijn ogen is de bibliotheek dé organisatie die juist de relevantie van anderen laat zien – niet door zichzelf in de schijnwerpers te zetten, maar door anderen het podium op te helpen.’

Samen eigenaar

Dat vraagt, realiseert ze zich, behoorlijk wat lef. ‘Natuurlijk wil je als organisatie vooral je eigen kracht laten zien. Je dienstbaar opstellen vraagt om nieuwe vaardigheden, waarbij je erop vertrouwt dat anderen zullen vertellen hoe belangrijk de bibliotheek is. Als anderen jouw verhaal vertellen alsof het dat van henzelf is, ben je goed bezig.’

Dat gebeurt alleen als je mede-eigenaarschap creëert, weet ze. ‘Het gaat dus nog een stap verder dan samenwerken en netwerken. Het gaat om ketens bouwen. Je moet loslaten, werken vanuit vertrouwen, anderen veel gunnen en je eigen rol helder hebben. In de ouderwetse marketingroutes ben je als organisatie bezig jezelf te promoten. Maar het voelt toch veel fijner als anderen dat doen? Vanuit mijn rol ben ik daarom constant bezig om vraag te creëren naar de rol van bibliotheken als de enige onafhankelijke plek in onze samenleving. Mijn droom is dat iedereen zegt: wij kunnen niet zonder de bibliotheek. Bibliotheken zijn de bomen van een gemeenschap: ze zorgen voor zuurstof, verkoeling en beschutting. En als je erin klimt, kun je verder kijken.’

De coronacrisis zorgde ervoor dat dat positieve geluid over de bibliotheek nog helderder werd vertolkt. ‘Jongeren waren op zoek naar een plek om te studeren. Ouderen veerden op als ze een telefoontje van een bibliotheekmedewerker kregen. Digitaal minder vaardigen waren blij met iedere vorm van hulp, juist nu online communiceren de belangrijkste vorm van contact houden was. Ik hoop dat die ambassadeurs ook na de coronacrisis hun boodschap blijven vertellen.’

Juist in deze coronatijd is duidelijk geworden hoe groot de kloven in de samenleving zijn tussen de haves en de have nots. ‘We moeten de verhalen zichtbaar maken van de mensen die zich ongezien en ongehoord voelen en die om welke reden dan ook op een andere manier willen en kunnen meedoen in de samenleving. Neem bijvoorbeeld de mensen die zelf geen digitale apparaten in bezit hebben. Die zeventien procent Nederlanders kan op dit moment om die reden maar heel beperkt deelnemen aan het maatschappelijke verkeer. De gemeente wil ook deze groep bereiken en zoekt naar partners die de verbinding kunnen leggen. De bibliotheek is daarvoor de uitgelezen partner, maar die hoeft dat allemaal niet zelf te doen. Sterker nog: ook de bibliotheek kent voor een aantal bevolkingsgroepen een drempel, waardoor mensen niet zomaar naar binnen stappen. Voor genoeg mensen is de bibliotheek nog steeds enkel een plek voor geleerden en boekenwurmen. Wijkteams en buurthuizen komen wél bij mensen thuis en zien wat daar gebeurt en nodig is. Zij zijn dus naast bibliotheken belangrijke schakels in de ketens die ertoe bijdragen dat onze samenleving inclusief, toegankelijk en rechtvaardig voelt voor iedereen.’

Aderen van Nederland

De bibliotheek heeft het in zich de enige onafhankelijke plek te zijn in de lokale gemeenschap, ziet ze. ‘De bibliotheek slaat bruggen tussen interessegebieden, religies, leeftijden en talen. Zo’n plek hebben we in deze tijd ongelofelijk hard nodig. De financiële krapte bij gemeenten werkt een concurrentiestrijd met andere voorzieningen in de hand. Het zou mooi zijn als de bibliotheek zich niet langer hoeft af te zetten tegen anderen, maar juist de handen ineenslaat met het sportpaleis en het lokale museum. Ook die voorzieningen zijn enorm belangrijk binnen het oplossen van hun eigen vraagstuk. Het zou niet of-of moeten zijn, maar en-en.’

Daarin ligt wat haar betreft de kunst: door een keten te vormen, kom je allemaal verder. ‘Dat is ook spannend: je bouwt een brug terwijl je erop loopt. Je moet zaken uit handen geven en durven neerleggen bij andere partijen in de keten. Samen kun je brede ambities formuleren, waarbij de bibliotheek als distributiekanaal fungeert. De bibliotheek als de aderen van Nederland, hoe mooi zou dat zijn?’

De bibliotheek kan de maatschappelijke vraagstukken die in de Netwerkagenda genoemd staan niet alleen oplossen, ziet ze. ‘Ik hoop dat de bibliotheek met dit document in de hand nog sterker haar rol durft te definiëren. Dat zorgt er ook voor dat andere partijen niet blijven zeggen: dat doet de bibliotheek toch al? We hebben zo’n mooi maatschappelijk speelveld, met partijen die ontzettend blij zullen zijn omdat ze kunnen samenwerken met de bibliotheek. Een visie mag op je schouders rusten, het takenpakket van de complete keten hoeft dat niet. Die strategische slag zullen we de komende jaren hopelijk gaan slaan. Ik hoop dat we over een paar jaar niet langer spreken over partners, maar over bondgenoten, die samen met ons hun schouders zetten onder dezelfde maatschappelijke vraagstukken.’

In oktober 2020 werd het Bibliotheekconvenant 2020-2023 ondertekend, waarin afspraken zijn gemaakt over de belangrijkste maatschappelijke opgaven die bibliotheken en de overheid de komende drie jaar zullen aanpakken. Daartoe werken de betrokken partijen aan een Netwerkagenda, waarin hun gezamenlijke doelen tot uiting komen. In dat kader interviewde Anne van den Dool (KB) de afgelopen tijd belangrijke spelers uit het veld over hun ambities. Dit is het slot van die interviewserie.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gerelateerde berichten