Özcan Akyol: ‘In de bibliotheek ben ik de rockstar’

Het boekenvak moet worden wakker geschud. Dat vindt schrijver Özcan Akyol, die daarom in het Boekenweekessay van dit jaar het alarm af laat gaan. Alleen voor bibliotheken maakt hij een uitzondering. ‘Bibliotheken willen juist wel een inclusieve plek zijn.’

Wat als de bibliotheek er niet was geweest? Özcan Akyol heeft het vaker verteld. Toen hij tien weken in het huis van bewaring zat vanwege betrokkenheid bij vermogensdelicten, begon hij – aanvankelijk uit verveling – aan de boeken uit de bajesbieb en ontdekte zo zijn liefde en talent voor literatuur. ‘Dat bleek mijn redding’, verkondigt de schrijver ook deze keer. ‘De bibliotheek heeft mij daarom uit mijn sociale milieu gehaald. De bibliotheek heeft mijn leven veranderd. Grote woorden, maar zo is het wel.’
Toch is de auteur van de spraakmakende bestsellers Eus (2012) en Turis (2016) na zijn straf nooit lid geworden van de openbare bibliotheek. ‘Dat durfde ik niet. Ik was wel lid geweest in mijn jeugd, al kwam ik er vooral om te dammen of rond te lopen als het regende. En toen had ik een paar keer een boek niet teruggebracht. Er stond daarom een rekening open van een paar honderd euro. Ik was bang dat die op zou duiken. Nu zou je zeggen: een banale angst. Maar dát weerhield me er indertijd van boeken te gaan lenen.’
In plaats daarvan toog hij iedere dag naar de centrale bibliotheek in zijn woonplaats Deventer, toen nog gevestigd aan de Brink. ‘Ik zat daar uren achter elkaar in de leeszaal het ene na het andere boek te lezen. Het was een fantastische omgeving, waar je tot sluitingstijd ongestoord kon lezen, werken, internetten. Heel toegankelijk ook. Ik was eraan gewend dat overal waar ik ben uiteindelijk iemand aan mij vroeg: “Wat moet jij hier?”. Ik hoor dat nog steeds wel eens. In de bibliotheek is dat nooit gebeurd.’

Polemisch
Het verbaast dan ook niet dat de 35-jarige Akyol de bibliotheek ontziet in het polemische essay dat hij schreef voor de Boekenweek. Generaal zonder leger is een aanval op de ‘tomeloze zelfoverschatting, hardnekkige arrogantie en minachting voor de lezer’, die volgens hem de boekenwereld in zijn greep heeft. Academici, recensenten, schrijvers, uitgevers, boekhandelaren – iedereen beschuldigt hij ervan de ontlezing in de hand te werken door hun versteende ideeën over literatuur. Maar niet bibliothecarissen.
‘Toen mij gevraagd werd het Boekenweekessay te schrijven, was ik eerst verbaasd,’ vertelt de auteur. ‘Ik dacht dat ik nog niet de juiste leeftijd of ervaring had. Maar toen ik hoorde dat het thema “rebellen en dwarsdenkers” is, begreep ik waarom de CPNB bij mij uitkwam. Men hoopte wellicht dat ik met een verhaal zou komen dat de boel opschudt. Dat was niet mijn intentie, maar toen ik nadacht over wat voor mij het wezenlijkst is – mijn eigen vakgebied als schrijver – kwam ik al snel tot de conclusies die ik in mijn essay trek.’

Luchtfietsers
Akyol vindt het hoognodig dat het boekenvak wordt wakker geschud. ‘Kijk naar de totale verschraling van het boek – vooral van fictie. Boekhandels hebben het moeilijk om hun positie vast te houden. Het onderwijs worstelt met de ontlezing. En ondertussen wordt het publieke debat gekaapt door allerlei luchtfietsers. Daarom is het nodig dat er ordescheppers met gezag en bereik zijn: schrijvers. Ik doe een appel op hen zich breder te laten gelden, zowel in de vorm van hun werk als in de podia die ze kiezen.’
Alleen lukt dat niet door het klimaat dat rond boeken en literatuur hangt. ‘Velen in het boekenvak houden vast aan vastgeroeste opvattingen over wat literatuur is of wat een schrijver wel en niet mag doen. Dat leidt tot een verstikkend conformisme waarin geen verandering mogelijk is. Neem jury’s van literaire prijzen. Zij wijzen boeken af omdat ze te humoristisch of absurdistisch zijn, terwijl soms tienduizenden lezers daar plezier aan hebben beleefd. Dat vind ik behoorlijk aanmatigend.’
Om aan te geven hoe absurd hij dat vindt, trekt hij de vergelijking met muziek. ‘Sommigen willen op hun begrafenis Bach horen, anderen Marco Borsato. Prima: iedereen heeft zijn eigen muziek waarbij hij oprechte emotie heeft. Maar wat doen wij in de literatuur? Wij vinden Bach vanzelfsprekend, maar zeggen hardop dat Marco Borsato infantiele muziek is. Of erger: dat het geeneens muziek is. Heb je ooit een dj een liedje horen afkondigen met: “Dit is heel populair, maar het is eigenlijk geen muziek”?’
Beter is het de hand uit te steken naar iedereen die van een boek kan genieten – ongeacht wat en hoeveel ze lezen. ‘Daarvoor zijn nieuwe ideeën nodig. Nieuwe technologieën en nieuwe media ook. Televisie bijvoorbeeld. Sommige programma’s trekken meer dan een miljoen kijkers. Dat zijn dus bij uitstek middelen om in de hoofden van mensen te kijken. Daarom snap ik niet dat er neerbuigend wordt gedaan over De Wereld Draait Door en tegelijk wordt geprotesteerd tegen het verdwijnen van VPRO Boeken, waar nooit iemand naar keek.’

Aanfluiting
Er is volgens Akyol niet één hoofdschuldige voor het denken in het boekenvak. ‘Het is een hele keten. Ik beschrijf in het essay mijn ervaringen aan de universiteit. Wat een aanfluiting was dat! Daar wordt het onderscheid tussen hoge en lage cultuur gedicteerd. En vervolgens worden al die studenten recensent, schrijver, uitgever of zelf professor en dragen zij in die rol diezelfde waarden uit. Zo blijft die klassenmaatschappij in de literatuur, die schrijvers zouden moeten bestrijden, zichzelf in stand houden.’
Wel is de ene beroepsgroep vatbaarder voor dit gedachtegoed dan de andere. De boekverkopers die hun neus ophalen voor lezers van Lucinda Riley vormen een kleine minderheid. ‘Zeker 90% wil klanten misschien wel aan mooie boeken helpen, maar ze moeten ook hun huur en hypotheek betalen. En dus willen ze zoveel mogelijk klanten. Als ik de boekhandel in Deventer voorstel om in mijn tanga door een brandende hoepel te springen, zoals ik schrijf, zal hij direct akkoord gaan. Hij zou hooguit vragen: moet ik de brandweer inseinen?’
En er zijn uitzonderingen. Onder uitgevers bijvoorbeeld. ‘De manier waarop je gewag maakt van het verschijnen van een nieuw boek kan anders. Dat hoeft niet alleen met een boekpresentatie. Of hoe je boeken distribueert. Dat hoeft niet alleen via de boekhandel. Ik heb daar wel eens ferme gesprekken over op mijn uitgeverij. Maar een van de redenen waarom mijn uitgever (Mai Spijkers van Prometheus) zo succesvol is, is dat hij wel meegaat met zijn tijd. Hij vernieuwt constant. Alleen de grote massa doet niet mee.’

Ondernemende bibliotheken
Maar over de bibliotheek dus geen kwaad woord. ‘Het zijn niet de meest vernieuwende organisaties,’ vertelt hij, ‘maar bibliotheken zijn wel erg ondernemend. Er is altijd van alles te doen. En intussen maken ze een behoorlijke transitie door. Bibliotheken weten dat ze niet alleen maar een plek kunnen zijn om boeken te lenen, maar dat ze een toevluchtsoord moeten zijn voor iedereen die op zoek is naar cultuur, kennis, activiteiten. Dat heeft geleid tot mooie verbouwingen. Hier in Deventer, maar ook Tilburg vind ik mooi.’
En van minachting voor de lezer zal niemand een spoor vinden. ‘Bibliotheken willen juist wel een inclusieve plek zijn. Hoe kun je mensen met een sociale achterstand bereiken? Hoe mensen met een migratieachtergrond? Zij hebben allemaal dat soort doelstellingen geformuleerd – anders dan een boekhandel die er primair voor de geoefende lezer is. Dat lukt door kinderen, als zij er voor het eerst komen, ruimte te geven om daar, omringd door boeken, te spelen. Dan is de drempel om er later binnen te komen heel laag.’

Gerehabiliteerd
Akyols verontwaardiging komt niet voort uit onvrede met de reacties op zijn werk. In het Boekenweekessay beschrijft hij dat sommige universiteitsmedewerkers hem na zijn debuut liever niet verwelkomden aan de Rijksuniversiteit Groningen. Eus zou niet goed genoeg zijn. ‘Maar ik heb gemerkt dat ik sindsdien ben gerehabiliteerd. Ook door universiteiten. Mijn werk mag ook op de leeslijsten. Boekhandelaren doen hun best voor me. Mijn boeken worden om de twee, drie maanden herdrukt. Ik voel me juist enorm gezegend.’
Het essay ontspringt eerder uit een gefnuikte liefde voor de literatuur. ‘Het literaire wereldje is altijd geromantiseerd door schrijvers uit het verleden. Maar toen ik erin terechtkwam, bleek het zo sneu te zijn. Dat is zonde. Literatuur heeft mij juist heel veel gebracht. Ik voel me daarom schatplichtig. En in plaats van me af te sluiten voor de grote massa die geen hoge literatuur leest, wil ik juist iets terug doen en anderen daarmee in aanraking brengen. Daarom treed ik nog steeds minstens een, twee keer per week op een middelbare school op. Het grote geld is daar niet te verdienen.’
Ook in het klein doet hij dat: door zijn kinderen – vier en twee jaar oud – met boeken in aanraking te brengen. ‘Daarom gaan wij elke woensdag met hen naar de bibliotheek. En we lezen elke avond voor. Ik heb dat zelf gemist in mijn jeugd: mijn ouders waren analfabeet. Ze konden ook geen Nederlands spreken. Het mooie is dat ik zo nu eindelijk zelf de jeugdliteratuur ontdek. Zelfs Annie M.G. Schmidt had ik nooit gelezen. Het gaat zo ver dat als mijn zoon in slaap valt, ik het boek mee naar beneden neem om het zelf uit te kunnen lezen.’

Sceptici
Behalve voor zijn kinderen bezoekt Akyol tegenwoordig vaak bibliotheken om er een lezing te geven. Hij vindt dat een mooie afwisseling naast de vele optredens op scholen. ‘Dan zit ik voor sceptici. Dat is hard werken om ze voor het lezen te winnen. Maar in de bibliotheek praat ik tegen mensen die daar vrijwillig zijn. Ze kopen zelfs een kaartje voor mij. En waar ik ook kom: het is altijd fantastisch georganiseerd. Op festivals wordt literatuur er maar bij gedaan, maar in de bibliotheek ben ik de rockstar en word ik zo behandeld.’
Bang dat hij alsnog aan zijn boete wordt herinnerd is hij niet meer. ‘Volgens mij heb ik de bibliotheken ook wat teruggegeven: mijn boeken. Als ik aan het einde van het jaar de Lira-afrekening bekijk, zie ik dat de uitleningen daarvan heel goed gaan. Niet voor het geld, zeg ik erbij. Ik vind het vooral belangrijk dat er een plek is waar jongeren en anderen met een kleine beurs ook kunnen lezen – of dat nu Lévi Weemoedt is of de winnaar van de Libris Literatuurprijs. En dus ook mijn boeken.’


Tekst: Maarten Dessing
Foto: Anja van Wijgerden


Een kortere versie van dit interview verscheen ook in Bibliotheekblad nr. 1, 2020.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gerelateerde berichten